gedichten

Vrijheid

vrij zijn:

tijdsstonde tussen perioden

van niet vrij zijn onder

te verdelen in vrijwillig

niet vrij zijn zoals werk

of huwelijk en onvrijwillig

niet vrij zijn zoals gevangen

vastgebonden ontvoerd 

gedeporteerd stevig de mond

gesnoerd gele ster op je kleren

geen hoofddoek mogen

dragen een avondklok

of samenscholingsverbod

niet mogen zijn wie je bent

niet mogen geloven wat je

gelooft vrijheid een woord

beladen verkwanseld door

de vermaledijde die vrijheid

belooft een vrijheid die de

vrijheid van anderen weer

berooft woord van utopie

steek met trots het rood

wit blauw hoog in de lucht

hetzelfde rood wit en blauw

strijdend voor vrede maar

met een koloniaal verleden

om koloniaalwaar zich ontpopte

tot vrijheidsmoordenaar

vrijheid is dat niet alleen

na te streven door er samen

één inhoud aan te geven?

 

De frontierloze

wie zonder grenzen leeft

loopt durend tegen die

van de begrensden aan

 

wie tijd en demarcatie ziet

als bureaucratische soesa

wordt getornd in zijn bestaan:

 

ga niet daar waar je niet mag

zeg niet wat je wilt maar zwijg

doe niet wat je wilt stop met meanderen

 

ga niet daar waar niemand ging

zeg niet wat niemand ooit zei

doe wat hoort doe als de anderen

 

vertel mij niet van gras zo groen

aan de andere kant van onhaalbare

heuvels onder een hemel van vermiljoen

 

vertel mij niet van het immer blijven

over een leven dat ik niet wil bestaan

niet van gekunstelde vreeskeurslijven

 

vertel mij niet van gebodsborden

die stijf hoog wijzen naar waarheen

en wat ik dan zou moeten worden

 

rechtdoor! blijf niet staan! wacht

tot het rode licht is gedoofd! denk

aan wat men zegt en wat men gelooft!

 

zit, lig, af, rol, dood en handhaaf

goed zo, nu ben je slaafbraaf!

 

laat mij mijn bandeloosheid

laat mij mijn tijd

laat mij mijn onstuimigheid

laat mij geen verwijt

laat mij mijn vrijheid

laat mij geen spijt

laat mij mijn frontierloosheid

 

 

 

Samen Leven

daar waar we alleen gingen

hadden we ook samen kunnen gaan

daar waar we ons van elkaar afsloten

hadden we samen kunnen bestaan

 

we waren jong met de jongeren

oud met de ouderen

gelovig met de gelovigen

heiden met de heidenen

 

we waren blind met de blinden

doof met de doven

soldaat met de soldaten

pacifist met de pacifisten

 

we waren rijk met de rijken

arm met de armen

we schonken met de schenkers

en bedelden met de bedelaars

 

we waren fries met de friezen

vluchteling met de vluchtelingen

hollander met de hollanders

en stedeling met de stedelingen

 

we waren bang met de bangen

overmoedig met de overmoedigen

verliefd met de verliefden

verbitterd met de verbitterden

 

we waren dik met de dikken

blond met de blonden

tenger met de tengeren

zwart met de zwarten

 

we waren zeker met de zekeren

vertrouwd met de vertrouwden

twijfelend met de twijfelaars

onzeker met de onzekeren

 

we waren ons met onszelf

we dankten de dankbaren

we vergaten de vergetenen

we bespraken de besprokenen

 

maar daar waar we alleen gingen

hadden we ook samen kunnen gaan

daar waar we ons van elkaar afsloten

hadden we samen moeten bestaan

 

Kerstfair in Dokkum 

 

op beklinkerde straten

waar decemberkoude

guurt en huivert en dan

op oude wijze teder het

seizoen en de stad binnenvalt

klinken korenstemmen

en klaroengeschal over

kerststal en marktkramen

en achter de beslagen ramen

sneeuwman- en dennentak-

etalages. Vuurkorf, snert

gepofte kastanjes en

glühwein verwarmt nu

de van de werkelijkheid

en tijd losgerukte omarmde

mensen die wanen zich Bob

Cratchit of Ebenezer Scrooge

in hun eigen Dickensverhaal

waarin het feest van het licht

nooit meer ophouden zal

en twaalf maanden in het

echte samenzijn en vrede

met passie en genadebrood

alle dagen wordt beleden

 

 

Kraters

 

er zitten kraters

in mijn waarheid

ik geef ze jouw naam

in mijn hoofd zitten ze

waardoor ik kijk

wanhopig om mij heen

zie ik je staan

 

mijn brieven, het logboek

van een schip

recht zo die gaat!

het inferno opent

gewillig zijn poorten

de zeilen staan bol!

 

wat moet ik nog de weg

terug is weggeslagen

een krater verspert

de weg voorwaarts

heus ik durf het wel

ik durf wel te springen

als jij mijn hand vasthoudt

 

veroordeel mij -ik ben

schuldig aan jouw liefde-

maar niet te hard

 

 

Postkantoor

 

we schrijven zo’n tweehonderd jaar geleden ver voor de groei-teneur

nog ver voor de verre vooruitgang die wij kennen plaatshad

dus post per brief, koets en het postkantoor inclusief directeur

ondergebracht bij de grutter in de toen nog kleine stad

 

we schrijven bijna honderddertig jaar geleden ontwikkelingen

en nieuwe tijden verdreven verleden en stopten nergens voor

we posten onze brief -voor lief en grief en dat soort dingen-

in het daartoe verbouwde gebouw: stads nieuwe postkantoor

 

we schrijven ongeveer zestig jaar geleden alles groeit zo ook postzakken

het postkantoor neemt bezit van het belendende pand en kenmerkt

de stad wie schrijft die blijft en we voorzien van allerhande gemakken

is de opportunistische gedachte die de postbeambte voortdurend sterkt

 

we schrijven nog niet eens zolang geleden oude tijden zijn niet meer

opgezweept in de vaart der volkeren neemt in het oude hart

van  de veel be- en geschreven stad het postkantoor steeds weer

meer taken tot zich verzekeringen, kaarten en bankzaken als chipcard

 

we schrijven nu en veel en vooral per mail, op papier geen geklad

de vooruitgang is niet van zijn stuk gebracht en nooit te stuiten

het postkantoor heeft van hogerhand zijn deuren moeten sluiten

en wordt ondergebracht bij krantenkiosk en grutter in de regiostad



 

Geen impromptu

hun farandole maakt van dokkum

de stad die zich het ooit droomde

flanerend arm aan arm stap aan

stap en schaduw aan schaduw

schrijven zij een libretto tussen

kroeg en preekstoel tussen

sonate en cantate school en koor

in filosofische complicaties

erudiet nuchter gerecenseerd

in een stadsfriese toonsoort

 

piano’s hijsen zich hoog

boven markt en breedstraat

en versmelten zich tot

een door hen bespeelde

vleugel die als een fandango

door eeuwenoude ramen

hoog boven het gekrakeel

zich naar binnen laat slingeren

daar waar zij, de geliefden

zich een fuga aanmeten

van het rumour buiten

 

eenmaal buiten maken zij

-de levensgeliefden- van straten

symphonieën -geen impromptu-

 

 

Een Hagenese bries van zee

 

een Hagenese bries van zee

blaast weg het Drachtster

stof zonder dat het daar dan

wezenlijk frisser van wordt

een rochel uit de Randstad

die zich over het benepene

en het brave uitstort

geeft vrucht aan darren

tovert verhalen als boeken

in woorden en vloeken

die meester nooit sprak

 

als de bries van zee in Cannes

flaneert blijft het Drachtster

achter in het stof dat doceert

 

 

Drogisterij Hamstra de Schone Gaper

 

wufte vrouwen bewegen zich

wulps langs de gebogen gevel

wat betekent 100 jaar als er

zo weinig is veranderd: ik wil

 

mooi zijn, niet ziek geef mij

drogerijen basten en hout

lieve schone gaper toe nou

geef mij mijn vrouwelijkheid

 

parfum mijn eigen snufjesparade

en gladde benen geef mij

mij mijn schoonheid geef mij

mijn mannelijkheid condooms

 

after shave en straks of net of nu

als ik klein en ziek ben mijn

genezend drogerij mijn medicijn

de behandeling zal in het ergste

 

geval genezend zijn valt in verleden

te lezen Hamstra’s drogisterij

houdt van mijn lichaam mijn haar

mijn geur houdt van wie ik ben

 

het kind de geliefde de vader

de moeder opa en oma houdt van

het buiten het stelen van de show

maar ook van mijn binnen houdt

 

van mijn leven drogisterij Hamstra

houdt voor altijd van mijn zijn

zalft zacht mijn lichaamspijn

deze drogisterij houdt van mij

 

Zonen van Brel

arme wereld hoor ons aan wij dromen ons de zonen

de zonen van brel de zonen die hij immer droomde maar

nooit heeft gekend we vertrokken naar plekken waar

niemand heen vertrekt waar nimmer iemand vertrok

 

bewust van de soorten tijd -de tijd die nog wacht en tijd

die is verspild- pakten we duizend keer onze bagage

met terugkeer als doel zonder wachten -voor wie wacht

komt alles te laat- en zagen wij de onbereikbare ster

 

waren wij de schaduw van diens schaduw de tranen van

diens traan en liepen wij tussen de torens van frieslands

vlakke land waar de oude terpen de enige bergen zijn

en spraken wij van goede wijn en slechte vrouwen

 

een vrouw blijft toch een vrouw of ze slet is of trouw

lijkt ze alleen van jou en verbeiden wij de avond

tevergeefs hopend met chrysanten in onze hand

drinken we daarom teugen whisky de clermond ferrand 

 

en dat we daar op drinken en daar nog eens op drinken

lopend van populier naar populier van dal naar dal

lopend door de nacht zwart van zwart en vroegen

we ons af of het mogelijk is om rechtop te leven

 

verloren reizigers waren we die wisten dat er maar

één terugkeer werkelijk telt de terugkeer van het graan

wij bleven cowboys cowboys van het wilde noorden

de oorden waar als overal volwassenen verraders zijn

 

we vertrokken naar plekken waar niemand heen vertrekt

waar nimmer niemand ooit vertrok gaan de zonen die hij

ooit droomde maar niet heeft gekend arme wereld hoor

ons aan wij dromen ons de zonen de zonen van brel

 

 

Themagedicht: 4 mei (Ik ken een oorlog)

 

ik ken een oorlog van zwart en wit, wit vergeelde

foto’s gehavende filmbeelden van bombardementen

gewonde mensen een overvolle trein in zwart en wit

 

ik ken een oorlog van boeken Etty Hillesum en Anne Frank

verhalen van angst van hoop verhalen van dood boeken

die mij verhalen van kraters en kinderdroomrovers

 

ik ken een oorlog die mijn vaders vader mij vertelde

van razzia’sstraten en onderduikboerderijen van namen op

nimmer vergetende verzets- en herdenkingsmonumenten  

 

maar ik ken ook een oorlog in kleur kleuren van zand

kleuren van rakettenschijn verlichte nachten die ik zag

uit de eerste hand en werd ik bezetter van menig dictatuurland

 

ik ken een oorlog van twee minuten stilte stil voor de gevallenen

opdat het nooit meer … zal gebeuren (?) hoop is de vrijheid

dat die twee minuten eeuwig durend in vrede zullen zijn

 

Schakersgedicht (voor Bouwbedrijf Postma)

de dame in gitzwart

schuift schoorvoetend

de schuinsmarcherende

bisschop scheef van

het geschaafde bord

 

kantelen kantelen

van kastelen door

haar schone schrede

in lieftallige houtsnede

 

gaat de koning haar

schaken of geringschat

hij haar macht zet zij

de vaalwitte monarch

soeverein glimmend mat

 

Vrijstaat Daam (voor Koning Jan)

 

behouden vaarders monster aan

bij de vrijheid van vrijstaat Daam

 

de vrijplaats van onomwonden

vaganten en vagebonden

buitenstaande trammelanten

en rammelende muzikanten

 

vrijplaats zonder stroom

voor de koningsdroom

voor schilder zijn licht

voor dichters gedicht

voor de muze haar gewaad

voor de straatartiest zonder straat

 

behouden vaarders monster aan

bij de vrijheid van vrijstaat Daam

 

Provo Pinneke (Voor Siem)

daar zat een kabouter

achterop een step

provo pinneke

proost proest

de barman totdat

hij dan toch werd

opgepakt voor wat

hij had aangeplakt

moordenaar! Johnson

is een moordenaar

 

daar zit een kabouter

aan de bar hij weet

nog van die jaren

van de wilde haren

de reis naar parijs

voor een fles jenever

-op de step, ik ben

zo blij dat ik ‘m heb-

dat was ooit maar

een reiziger stopt

nooit, de step kreeg

vier wielen en een dak

voorzien van dieselgemak

met keuken en bed

het rijdend huisje

over de Appenijnen

gezet of naar het noorden

het bos en klif van de Noren

of naar het westen waar

ze met Calvados

eeuwig de dorst lesten

 

daar zit een kabouter

in een huisje tussen

houtwallen en velden

het decor voor

levensfilmhelden

 

Eindeloos blauw (themagedicht Kunst aan Huisroute Lauwersland)

op de tweede dag van Heer Fluistermans besloten vergadering  

schudt het blauw subtractief in zachte tijding uit Maria’s mantel

nu zal het eeuwig zicht in lijden buitensporig eindeloos blauw zijn

de drenkeling enkel nog in draden cyaan en magenta opspoorbaar

 

dan later: luisterman stelt zich horig de hysop voor in het ruim van schepen

die altijd haven hielden tussen hier en Zwijgzaams verre transfiguratie

het schrift met schuldbekentenis beklaagt zich het nachteraads verscheuren

voor het zijn belofte verliest in het tomeloos blauw van secularist z’n abstractie

 

 

Kranslegging bij zee (uit de bundel: de heroische tocht)

het kwetsbaar uur breekt in zichzelf aan

in hun benaming in steen zijn ze nog samen

we lezen ze zwijgzaam we lezen hun jaren

nu weten we uit welke familie ze kwamen

nu weten we dat er kinderen aan boord waren

 

maar de zee is zo rustig nu zo rustig en stil

 

je kan het je haast niet…

je wilt het je niet…

 

want de zee is zo rustig nu zo rustig en stil

 

 

Valentijnsgedichtje

ik ga daar

waar reizigers gaan

en dan in geen velden of wegen

je kent het wel minder dan

een stip aan de horizon

 

dichterbij kan ik soms

niet zijn het lijkt ver weg

daar waar reizigers gaan

 

maar het anker ligt

immer in jouw haven

juist door soms weg te gaan

kan ik blijvend bij jou zijn

 

 

Vrouwen zijn Godinnen en Godinnen Vrouwen

godinnen vrouw schiep jij

dan de nachten, het zwart

in dood, het schaamrood

het immer wachten op

 

of dan toch de zin

van nacht en zwart

dood en rood

het wachten op

 

godinnen vrouw bedacht

jij niet het bidden maar

het smeken, het preken

van hormoongebod

 

of dan toch de zin

van bidden en

smeken, preken

van hormoongebod

 

godinnen vrouw besta

je wel elders dan in genot

dan het besef: jij troont in de hemel

de dichter woont bij de kunstenaar

in de hel

II

sommige vrouwen

zijn godinnen denken

sommige vrouwen

 

sommige vrouwen

zijn godinnen denken

sommige mannen

 

alle godinnen

zijn vrouwen weten

alle godinnen

 

alle godinnen

zijn vrouwen weten

alle mannen

 

Als je uit sterven gaat (Voor Judith)

Proloog

 

(dood

doodgaan

doodgaan doe je

doodgaan doe je liever

doodgaan doe je liever niet

doodgaan doe je liever niet alleen)

 

I

aan de wieg van terminale toewijding

stond een fenomenale vrouw, ze sprak:

 

doodgaan doe je liever niet

zonder dat er iemand is

zomaar zonder maar zonder

meer als je uit sterven gaat

 

dat er iemand is ook als er

niemand is die iets zegt

die iets zwijgt je aanraakt

als je dan uit sterven gaat

 

dat het einde thuis mag zijn

dat je dan in je eigen huis mag zijn

tussen de waardeloze dingen die

je achterlaat als je uit sterven gaat

 

II

de wieg is leeg het kind staat

en neemt de eigen benen, het zegt:

 

dat jij er was zodat ik kan zijn:

belangeloos, gratis maar niet

voor niets iets dat afscheid nemen

niet comfortabeler maar mooier maakt

 

dat er aandacht is voor niet

alleen die wie in romper gaat

maar ook voor wie het lijkgewaad

past, dat de stervende ook bestaat

 

nu neem ik afscheid van jou

partir c’est mourir un peu, maman

en weet ik niet van woorden

dan weet ik niet van zwijgen

 

Epiloog

het was

het was goed

 

THEMAGEDICHT I: De DongeraDichter (met dank aan Tsjerk Veenstra, Erica Bergema en Durkje Jellema)

 

er zinken zuiderEeënparfumlinten in zilte  

kleienaardetinten onder aambeelden wolkenschepen

over vee en velden, graan en aardappelnamen

tot de sponde voor nachtelijk zoet de liefdeszonde

 

sudewyn driuwt flamjendklaai troch de ieren

laket om it skrutene, ferliedt de wille 

makket DongeraDichter lytsman oan it Dongerafjild  

en dat hy har jimmer yn skuldigens beskôgje sil    

 

er blazen oosterstormLauwersmeertermen

een gelagkamer van stof voor toehoorders

van Sonnema’s geschonken schenken

en lovende leugenbankenzeebonkenwenken

 

easterstoarm driuwt skuorreklaai troch myn hân

laket om it wêzen, ferdampt de wille 

makket DongeraDichter lytsman oan de Dongerastêd

en dat hy har jimmer yn skuldigens beskôgje sil

 

er slaan zuidwesterWoudendondervloeken

in zadeldaken en spitsen, maken van schaduw

een elfstedenkruizenommegang voor Bonifacius’kus-

of HaverSchmidts eenzaamheidsboeken

 

súdwesterwyn driuwt triennenklaai troch eagen            

laket om it wee, ferriedt de wille

makket DongeraDichter lytsman oan it Dongeradoarp 

en dat hy har jimmer yn skuldigens beskôgje sil

 

er spoelen noordwesterstormWaddenwoordendragers

aan in een gehavend altaar van beelden

van elders en zwaar zijn ze: gezinnenkraterslagers

verschietbesteeldenmakers en zeemansgrafdelvers

 

noarderstoarm driuwt klommendeklaai troch de siel

laket om it rydboskjen, ferneatiget de wille                   

makket DongeraDichter lytsman oan de Dongerasee   

en dat hy har jimmer yn skuldigens beskôgje sil

 

terug