|
gedichten |
Godinnen zijn vrouwen, vrouwen godinnen (2 gedichten nav de gelijknamige expositie)
Eén van de Valentijsgedichten, geschreven bij Boekhandel Schaaf 14-2-09
vrij zijn:
tijdsstonde tussen perioden
van niet vrij zijn onder
te verdelen in vrijwillig
niet vrij zijn zoals werk
of huwelijk en onvrijwillig
niet vrij zijn zoals gevangen
vastgebonden ontvoerd
gedeporteerd stevig de mond
gesnoerd gele ster op je kleren
geen hoofddoek mogen
dragen een avondklok
of samenscholingsverbod
niet mogen zijn wie je bent
niet mogen geloven wat je
gelooft vrijheid een woord
beladen verkwanseld door
de vermaledijde die vrijheid
belooft een vrijheid die de
vrijheid van anderen weer
berooft woord van utopie
steek met trots het rood
wit blauw hoog in de lucht
hetzelfde rood wit en blauw
strijdend voor vrede maar
met een koloniaal verleden
om koloniaalwaar zich ontpopte
tot vrijheidsmoordenaar
vrijheid is dat niet alleen
na te streven door er samen
één inhoud aan te geven?
wie
zonder grenzen leeft
loopt
durend tegen die
van
de begrensden aan
wie
tijd en demarcatie ziet
als
bureaucratische soesa
wordt
getornd in zijn bestaan:
ga
niet daar waar je niet mag
zeg
niet wat je wilt maar zwijg
doe
niet wat je wilt stop met meanderen
ga
niet daar waar niemand ging
zeg
niet wat niemand ooit zei
doe
wat hoort doe als de anderen
vertel
mij niet van gras zo groen
aan
de andere kant van onhaalbare
heuvels
onder een hemel van vermiljoen
vertel
mij niet van het immer blijven
over
een leven dat ik niet wil bestaan
niet
van gekunstelde vreeskeurslijven
vertel
mij niet van gebodsborden
die
stijf hoog wijzen naar waarheen
en
wat ik dan zou moeten worden
rechtdoor!
blijf niet staan! wacht
tot
het rode licht is gedoofd! denk
aan
wat men zegt en wat men gelooft!
zit,
lig, af, rol, dood en handhaaf
goed
zo, nu ben je slaafbraaf!
laat
mij mijn bandeloosheid
laat
mij mijn tijd
laat
mij mijn onstuimigheid
laat
mij geen verwijt
laat
mij mijn vrijheid
laat
mij geen spijt
laat
mij mijn frontierloosheid
daar waar we alleen gingen
hadden we ook samen kunnen gaan
daar waar we ons van elkaar afsloten
hadden we samen kunnen bestaan
we waren jong met de jongeren
oud met de ouderen
gelovig met de gelovigen
heiden met de heidenen
we waren blind met de blinden
doof met de doven
soldaat met de soldaten
pacifist met de pacifisten
we waren rijk met de rijken
arm met de armen
we schonken met de schenkers
en bedelden met de bedelaars
we waren fries met de friezen
vluchteling met de vluchtelingen
hollander met de hollanders
en stedeling met de stedelingen
we waren bang met de bangen
overmoedig met de overmoedigen
verliefd met de verliefden
verbitterd met de verbitterden
we waren dik met de dikken
blond met de blonden
tenger met de tengeren
zwart met de zwarten
we waren zeker met de zekeren
vertrouwd met de vertrouwden
twijfelend met de twijfelaars
onzeker met de onzekeren
we waren ons met onszelf
we dankten de dankbaren
we vergaten de vergetenen
we bespraken de besprokenen
maar daar waar we alleen gingen
hadden we ook samen kunnen gaan
daar waar we ons van elkaar afsloten
hadden we samen moeten bestaan
op beklinkerde straten
waar decemberkoude
guurt en huivert en dan
op oude wijze teder het
seizoen en de stad binnenvalt
klinken korenstemmen
en klaroengeschal over
kerststal en marktkramen
en achter de beslagen ramen
sneeuwman- en dennentak-
etalages. Vuurkorf, snert
gepofte kastanjes en
glühwein verwarmt nu
de van de werkelijkheid
en tijd losgerukte omarmde
mensen die wanen zich Bob
Cratchit
of Ebenezer Scrooge
in hun eigen Dickensverhaal
waarin het feest van het licht
nooit meer ophouden zal
en twaalf maanden in het
echte samenzijn en vrede
met passie en genadebrood
alle dagen wordt beleden
er zitten
kraters
in mijn
waarheid
ik geef ze
jouw naam
in mijn hoofd
zitten ze
waardoor ik
kijk
wanhopig om
mij heen
zie ik je
staan
mijn brieven,
het logboek
van een schip
recht zo die
gaat!
het inferno
opent
gewillig zijn
poorten
de zeilen
staan bol!
wat moet ik
nog de weg
terug is
weggeslagen
een krater
verspert
de weg
voorwaarts
heus ik durf
het wel
ik durf wel
te springen
als jij mijn
hand vasthoudt
veroordeel
mij -ik ben
schuldig aan
jouw liefde-
maar
niet te hard
we schrijven zo’n tweehonderd jaar
geleden ver voor de groei-teneur
nog ver voor de verre vooruitgang
die wij kennen plaatshad
dus post per brief, koets en het
postkantoor inclusief directeur
ondergebracht bij de grutter in de
toen nog kleine stad
we schrijven bijna honderddertig
jaar geleden ontwikkelingen
en
nieuwe tijden verdreven verleden en stopten nergens voor
we posten onze brief -voor lief en
grief en dat soort dingen-
in het daartoe verbouwde gebouw:
stads nieuwe postkantoor
we schrijven ongeveer zestig jaar
geleden alles groeit zo ook postzakken
het postkantoor neemt bezit van het
belendende pand en kenmerkt
de stad wie schrijft die blijft
en we voorzien van allerhande gemakken
is de opportunistische gedachte die
de postbeambte voortdurend sterkt
we schrijven nog niet eens zolang
geleden oude tijden zijn niet meer
opgezweept in de vaart der volkeren
neemt in het oude hart
van
de veel be- en geschreven stad het postkantoor steeds weer
meer taken tot zich verzekeringen,
kaarten en bankzaken als chipcard
we schrijven nu en veel en vooral
per mail, op papier geen geklad
de vooruitgang is niet van zijn stuk
gebracht en nooit te stuiten
het postkantoor heeft van hogerhand
zijn deuren moeten sluiten
en wordt ondergebracht bij
krantenkiosk en grutter in de regiostad
hun farandole maakt van dokkum
de stad die zich het ooit droomde
flanerend arm aan arm stap aan
stap en schaduw aan schaduw
schrijven zij een libretto tussen
kroeg en preekstoel tussen
sonate en cantate school en koor
in filosofische complicaties
erudiet nuchter gerecenseerd
in een stadsfriese toonsoort
piano’s hijsen zich hoog
boven markt en breedstraat
en versmelten zich tot
een door hen bespeelde
vleugel die als een fandango
door eeuwenoude ramen
hoog boven het gekrakeel
zich naar binnen laat slingeren
daar waar zij, de geliefden
zich een fuga aanmeten
van het rumour buiten
eenmaal buiten maken zij
-de levensgeliefden- van straten
symphonieën -geen impromptu-
een Hagenese bries van zee
blaast weg het Drachtster
stof zonder dat het daar dan
wezenlijk frisser van wordt
een rochel uit de Randstad
die zich over het benepene
en het brave uitstort
geeft vrucht aan darren
tovert verhalen als boeken
in woorden en vloeken
die meester nooit sprak
als de bries van zee in Cannes
flaneert blijft het Drachtster
achter in het stof dat doceert
Drogisterij Hamstra de Schone Gaper
wufte vrouwen bewegen zich
wulps langs de gebogen gevel
wat betekent 100 jaar als er
zo weinig is veranderd: ik wil
mooi zijn, niet ziek geef mij
drogerijen basten en hout
lieve schone gaper toe nou
geef mij mijn vrouwelijkheid
parfum mijn eigen snufjesparade
en gladde benen geef mij
mij mijn schoonheid geef mij
mijn mannelijkheid condooms
after shave en straks of net of nu
als ik klein en ziek ben mijn
genezend drogerij mijn medicijn
de behandeling zal in het ergste
geval genezend zijn valt in verleden
te lezen Hamstra’s drogisterij
houdt van mijn lichaam mijn haar
mijn geur houdt van wie ik ben
het kind de geliefde de vader
de moeder opa en oma houdt van
het buiten het stelen van de show
maar ook van mijn binnen houdt
van mijn leven drogisterij Hamstra
houdt voor altijd van mijn zijn
zalft zacht mijn lichaamspijn
deze drogisterij houdt van mij
arme
wereld hoor ons aan wij dromen ons de zonen
de zonen
van brel de zonen die hij immer droomde maar
nooit
heeft gekend we vertrokken naar plekken waar
niemand
heen vertrekt waar nimmer iemand vertrok
bewust
van de soorten tijd -de tijd die nog wacht en tijd
die is
verspild- pakten we duizend keer onze bagage
met
terugkeer als doel zonder wachten -voor wie wacht
komt
alles te laat- en zagen wij de onbereikbare ster
waren wij
de schaduw van diens schaduw de tranen van
diens
traan en liepen wij tussen de torens van frieslands
vlakke
land waar de oude terpen de enige bergen zijn
en
spraken wij van goede wijn en slechte vrouwen
een vrouw
blijft toch een vrouw of ze slet is of trouw
lijkt ze
alleen van jou en verbeiden wij de avond
tevergeefs
hopend met chrysanten in onze hand
drinken we
daarom teugen whisky de clermond ferrand
en dat we
daar op drinken en daar nog eens op drinken
lopend van
populier naar populier van dal naar dal
lopend
door de nacht zwart van zwart en vroegen
we ons af
of het mogelijk is om rechtop te leven
verloren
reizigers waren we die wisten dat er maar
één
terugkeer werkelijk telt de terugkeer van het graan
wij
bleven cowboys cowboys van het wilde noorden
de oorden
waar als overal volwassenen verraders zijn
we
vertrokken naar plekken waar niemand heen vertrekt
waar
nimmer niemand ooit vertrok gaan de zonen die hij
ooit
droomde maar niet heeft gekend arme wereld hoor
ons aan
wij dromen ons de zonen de zonen van brel
Themagedicht: 4 mei (Ik ken een oorlog)
ik ken een oorlog van zwart en wit, wit vergeelde
foto’s gehavende filmbeelden van bombardementen
gewonde mensen een overvolle trein in zwart en wit
ik ken een oorlog van boeken Etty Hillesum en Anne
Frank
verhalen van angst van hoop verhalen van dood boeken
die mij verhalen van kraters en kinderdroomrovers
ik ken een oorlog die mijn vaders vader mij vertelde
van razzia’sstraten en onderduikboerderijen van
namen op
nimmer vergetende verzets- en herdenkingsmonumenten
maar ik ken ook een oorlog in kleur kleuren van zand
kleuren van rakettenschijn verlichte nachten die ik
zag
uit de eerste hand en werd ik bezetter van menig
dictatuurland
ik ken een oorlog van twee minuten stilte stil voor de
gevallenen
opdat het nooit meer … zal gebeuren (?) hoop is de
vrijheid
dat die twee minuten eeuwig durend in vrede zullen zijn
Schakersgedicht (voor Bouwbedrijf Postma)
de dame in
gitzwart
schuift
schoorvoetend
de
schuinsmarcherende
bisschop
scheef van
het geschaafde
bord
kantelen
kantelen
van kastelen
door
haar schone
schrede
in lieftallige
houtsnede
gaat de koning
haar
schaken of
geringschat
hij haar macht
zet zij
de vaalwitte
monarch
soeverein
glimmend mat
Vrijstaat Daam (voor Koning Jan)
behouden vaarders monster aan
bij de vrijheid van vrijstaat Daam
de vrijplaats van onomwonden
vaganten en vagebonden
buitenstaande trammelanten
en rammelende muzikanten
vrijplaats zonder stroom
voor de koningsdroom
voor schilder zijn licht
voor dichters gedicht
voor de muze haar gewaad
voor de straatartiest zonder straat
behouden vaarders monster aan
bij de vrijheid van vrijstaat Daam
Provo Pinneke (Voor Siem)
daar zat een kabouter
achterop een step
provo pinneke
proost proest
de barman totdat
hij dan toch werd
opgepakt voor wat
hij had aangeplakt
moordenaar! Johnson
is een moordenaar
daar zit een kabouter
aan de bar hij weet
nog van die jaren
van de wilde haren
de reis naar parijs
voor een fles jenever
-op de step, ik ben
zo blij dat ik ‘m heb-
dat was ooit maar
een reiziger stopt
nooit, de step kreeg
vier wielen en een dak
voorzien van dieselgemak
met keuken en bed
het rijdend huisje
over de Appenijnen
gezet of naar het noorden
het bos en klif van de Noren
of naar het westen waar
ze met Calvados
eeuwig de dorst lesten
daar zit een kabouter
in een huisje tussen
houtwallen en velden
het decor voor
levensfilmhelden
Eindeloos blauw (themagedicht Kunst aan Huisroute Lauwersland)
op de tweede dag van Heer
Fluistermans besloten vergadering
schudt het blauw subtractief in
zachte tijding uit Maria’s mantel
nu zal het eeuwig zicht in lijden
buitensporig eindeloos blauw zijn
de drenkeling enkel nog in draden
cyaan en magenta opspoorbaar
dan later: luisterman stelt zich
horig de hysop voor in het ruim van schepen
die altijd haven hielden tussen hier
en Zwijgzaams verre transfiguratie
het schrift met schuldbekentenis
beklaagt zich het nachteraads verscheuren
voor het zijn belofte verliest in het tomeloos blauw van secularist z’n abstractie
Kranslegging bij zee (uit de bundel: de heroische tocht)
het
kwetsbaar uur breekt in zichzelf aan
in
hun benaming in steen zijn ze nog samen
we
lezen ze zwijgzaam we lezen hun jaren
nu
weten we uit welke familie ze kwamen
nu
weten we dat er kinderen aan boord waren
maar
de zee is zo rustig nu zo rustig en stil
je
kan het je haast niet…
je
wilt het je niet…
want
de zee is zo rustig nu zo rustig en stil
ik ga daar
waar reizigers gaan
en dan in geen velden of wegen
je kent het wel minder dan
een stip aan de horizon
dichterbij kan ik soms
niet zijn het lijkt ver weg
daar waar reizigers gaan
maar het anker ligt
immer in jouw haven
juist door soms weg te gaan
kan ik blijvend bij jou zijn
Vrouwen zijn Godinnen en Godinnen Vrouwen
godinnen
vrouw schiep jij
dan
de nachten, het zwart
in
dood, het schaamrood
het
immer wachten op
of
dan toch de zin
van
nacht en zwart
dood
en rood
het
wachten op
godinnen
vrouw bedacht
jij
niet het bidden maar
het
smeken, het preken
van
hormoongebod
of
dan toch de zin
van
bidden en
smeken,
preken
van
hormoongebod
godinnen
vrouw besta
je
wel elders dan in genot
dan
het besef: jij troont in de hemel
de
dichter woont bij de kunstenaar
in
de hel
II
sommige
vrouwen
zijn
godinnen denken
sommige
vrouwen
sommige
vrouwen
zijn
godinnen denken
sommige
mannen
alle
godinnen
zijn
vrouwen weten
alle
godinnen
alle
godinnen
zijn
vrouwen weten
alle mannen
Als je uit sterven gaat (Voor Judith)
Proloog
(dood
doodgaan
doodgaan doe je
doodgaan doe je liever
doodgaan doe je liever niet
doodgaan doe je liever niet alleen)
I
aan de wieg van terminale toewijding
stond een fenomenale vrouw, ze sprak:
doodgaan doe je liever niet
zonder dat er iemand is
zomaar zonder maar zonder
meer als je uit sterven gaat
dat er iemand is ook als er
niemand is die iets zegt
die iets zwijgt je aanraakt
als je dan uit sterven gaat
dat het einde thuis mag zijn
dat je dan in je eigen huis mag zijn
tussen de waardeloze dingen die
je achterlaat als je uit sterven gaat
II
de wieg is leeg het kind staat
en neemt de eigen benen, het zegt:
dat jij er was zodat ik kan zijn:
belangeloos, gratis maar niet
voor niets iets dat afscheid nemen
niet comfortabeler maar mooier maakt
dat er aandacht is voor niet
alleen die wie in romper gaat
maar ook voor wie het lijkgewaad
past, dat de stervende ook bestaat
nu neem ik afscheid van jou
partir
c’est mourir un peu, maman
en weet ik niet van woorden
dan weet ik niet van zwijgen
Epiloog
het was
het was goed
THEMAGEDICHT I: De DongeraDichter (met dank aan Tsjerk Veenstra, Erica Bergema en Durkje Jellema)
er zinken zuiderEeënparfumlinten in
zilte
kleienaardetinten onder aambeelden
wolkenschepen
over vee en velden, graan en
aardappelnamen
tot de sponde voor nachtelijk zoet
de liefdeszonde
sudewyn driuwt flamjendklaai troch
de ieren
laket om it skrutene, ferliedt de
wille
makket DongeraDichter lytsman
oan it Dongerafjild
en dat hy har jimmer yn skuldigens
beskôgje sil
er blazen
oosterstormLauwersmeertermen
een gelagkamer van stof voor
toehoorders
van Sonnema’s geschonken schenken
en lovende
leugenbankenzeebonkenwenken
easterstoarm driuwt skuorreklaai
troch myn hân
laket om it wêzen, ferdampt de
wille
makket DongeraDichter lytsman
oan de Dongerastêd
en dat hy har jimmer yn skuldigens
beskôgje sil
er slaan
zuidwesterWoudendondervloeken
in zadeldaken en spitsen, maken van
schaduw
een elfstedenkruizenommegang voor
Bonifacius’kus-
of HaverSchmidts eenzaamheidsboeken
súdwesterwyn driuwt triennenklaai
troch eagen
laket om it wee, ferriedt de wille
makket DongeraDichter lytsman
oan it Dongeradoarp
en dat hy har jimmer yn skuldigens
beskôgje sil
er spoelen
noordwesterstormWaddenwoordendragers
aan in een gehavend altaar van
beelden
van elders en zwaar zijn ze:
gezinnenkraterslagers
verschietbesteeldenmakers en
zeemansgrafdelvers
noarderstoarm driuwt klommendeklaai
troch de siel
laket om it rydboskjen, ferneatiget
de wille
makket DongeraDichter lytsman oan de Dongerasee
en dat hy har jimmer yn skuldigens
beskôgje sil